Motiveren en mentoring
De vierde component van de FFC benadering is het motiveren en bestaat uit de twee opeenvolgende stappen:
Stap 1 is het motiveren van verpleegkundigen om FFC toe te passen en het leren van interventies om patiënten te stimuleren tot activiteit (implementatie aspect).
Stap 2 is het door verpleegkundigen motiveren van patiënten en de naaste familieleden om actief te participeren tijdens alle zorgmomenten (interventie aspect)
Stap 1 is het motiveren van verpleegkundigen om FFC toe te passen en het leren van interventies om patiënten te stimuleren tot activiteit (implementatie aspect).
Stap 2 is het door verpleegkundigen motiveren van patiënten en de naaste familieleden om actief te participeren tijdens alle zorgmomenten (interventie aspect)
Motivatie kan worden beschouwd als een innerlijke drijfveer waardoor personen tot een bepaald gedrag komen. Hoe meer iemand gemotiveerd is om bijvoorbeeld te bewegen, hoe meer en vaker deze persoon dat ook zal doen. Motivatie wordt bepaald door meerdere factoren (zie tabel) waaronder de self-efficacy (zelfeffectiviteit) van een persoon.
De self-efficacy theorie is in 1977 opgesteld door Alburt Bandura. Volgens deze theorie wordt motivatie voor bepaald gedrag in belangrijke mate bepaald door:
De self-efficacy theorie is in 1977 opgesteld door Alburt Bandura. Volgens deze theorie wordt motivatie voor bepaald gedrag in belangrijke mate bepaald door:
- De self-efficacy verwachting. Dit is de verwachting (of het vertrouwen) van een persoon dat hij in staat is om bepaald gedrag uit te voeren.
- De uitkomstverwachting. Dit is de verwachting dat bepaald gedrag zal leiden tot bepaalde uitkomsten.
Hoe hoger de self-efficacy en de uitkomstverwachtingen van de persoon, hoe hoger zijn motivatie om activiteiten te ondernemen en deze vol te houden.
Zo zal iemand die de verwachting heeft dat hij meer kan bewegen (self-efficacy) en ook verwacht dat meer bewegen een betere conditie oplevert (positieve uitkomstverwachting) eerder een poging ondernemen om meer te bewegen en dat ook langer volhouden dan iemand die de verwachting heeft dat het hem niet lukt (lage self-efficacy) en ook niet de verwachting heeft dat het hem veel zal opleveren (negatieve uitkomstverwachting).
Self-efficacy wordt volgens Bandura bevorderd door middel van vier belangrijke mechanismen:
- Opdoen van succeservaringen; een activiteit met succes volbrengen.
- Overtuiging door anderen; een voor de patiënt geloofwaardig persoon die kan motiveren dat de patiënt in staat is om een activiteit uit te voeren.
- Een vergelijkbare ervaring of een andere persoon een bepaalde activiteit met succes zien volbrengen.
- Fysiologische en geestelijke/emotionele situatie: (eerdere) pijn, angst, vermoeidheid gerelateerd aan een bepaalde activiteit.
Intern/ patiënt gerelateerd
- Uitkomstverwachtingen die iemand heeft
- De mate van self efficacy (zelf effectiviteit)
- Spiritualiteit en geloof
- Zelf de regie hebben
- Vertrouwen in de competentie van de zorgprofessionals
Extern: sociale/professioneel
- Verbale stimulering van de zorgprofessionals
- Doelen als externe stimulans
- Sociale support van bijvoorbeeld naaste familieleden of andere patiënten
- Zorg op maat met aandacht voor het individu
- Vriendelijkheid en humor van de zorgprofessional
Lichamelijk
- Pijn
- Vermoeidheid
- Kortademigheid
Psychisch
- Angst om te vallen
- Faalangst
- Stemming
- Veerkracht
Aan het begin van dit hoofdstuk is uitgelegd dat de vierde component ‘Motiveren’ bestaat uit 2 stappen.
De eerste stap is het motiveren van verpleegkundigen om ook daadwerkelijk volgens de FFC benadering te werken. Hierbij worden de vier mechanismen uit de Self –Efficacy theorie van Bandura gebruikt:
De eerste stap is het motiveren van verpleegkundigen om ook daadwerkelijk volgens de FFC benadering te werken. Hierbij worden de vier mechanismen uit de Self –Efficacy theorie van Bandura gebruikt:
- Scholing en opdoen van succeservaringen; een activiteit met succes volbrengen.
- Overtuiging door anderen; een voor de verpleegkundige geloofwaardig persoon die kan motiveren dat zij in staat is om een activiteit uit te voeren.
- Een vergelijkbare ervaring of een andere persoon een bepaalde activiteit met succes zien volbrengen.
- Fysiologische en emotionele situatie (pijn, vermoeidheid, stress).
Strategie 1. Informeren
- Basisscholing
- Vervolgscholingen tijdens reguliere overleggen (dagevaluaties, scholingsdagen, lunchbijeenkomsten)
- Training aan bed
- Team regelmatig informeren over stand van zaken implementatie
- Tip van de week
Strategie 2. Verbaal stimuleren en compliment geven
- FFC coaches leren/ondersteunen in hoe ze hun collega’s kunnen motiveren.
- Overtuiging door anderen; een voor de verpleegkundige geloofwaardig persoon die kan motiveren dat zij in staat is om een activiteit uit te voeren à Teamhoofd/ FFC coach
- Positief bekrachtigen. Belonen bij succes.
- Training aan bed
- Feedback geven
- Bewustwording en draagvlak creëren door met behulp van vragen / stellingen te discussiëren over de cultuur, de omgeving en het beleid.
Strategie 3. Knelpunten identificeren en verminderen.
- Knelpunten bespreken en bekijken welke verbeteringen mogelijk zijn. Team uitnodigen om zelf met creatieve ideeën te komen.
- Bewustwording en draagvlak creëren door met behulp van vragen / stellingen te discussiëren over de cultuur, de omgeving en het beleid.
Strategie 4. Cueing (een figuurlijk duwtje in de goede richting)
- Training aan bed
- Rolmodel door FFC coaches gesteund door teamhoofd/projectleider
- Elkaar aanspreken als er niet gewerkt wordt volgens de FFC benadering (dit met elkaar afspreken)
Aan het begin van dit hoofdstuk is uitgelegd dat de vierde component ‘Motiveren’ bestaat uit 2 stappen. De tweede stap is het motiveren van patiënten, dit is niet altijd gemakkelijk. Soms gaat het bijna als vanzelf, maar elke professional zal ook ervaringen hebben dat zij al haar overredingskracht nodig had om die bepaalde patiënt te motiveren om bijvoorbeeld uit bed te komen.
Er is dan ook geen pasklaar antwoord op hoe je iemand kan motiveren. Het vraagt creativiteit en afstemming op de situatie van dat moment en bij die persoon. Ook de medewerking van alle (multidisciplinaire) collega’s en de naaste familie is belangrijk.
Hieronder staan interventies beschreven die ingezet kunnen worden om patiënten te motiveren deel te nemen aan de dagelijkse zorgactiviteiten en meer te bewegen. De interventies zijn gebaseerd op onderzoek en de vier mechanisme uit de self-efficacy theorie.
Interventie 1. Informeren
Informeer de patiënten en zijn familie bij en gedurende de opname over het belang van activiteit en mobiliseren. Leg daarbij uit wat de voordelen hierbij zijn zoals verbetering van conditie, handhaven zelfstandigheid en hogere kwaliteit van leven.
Informeren lijkt een open deur, maar veel patiënten (en hun familie) weten niet dat bijvoorbeeld tien dagen bedrust gelijk staat aan vijftien jaar lichamelijke veroudering! Door inactiviteit gaan niet alleen spieren, organen, maar ook de stemming achteruit. Met alle gevolgen van dien zoals valincidenten, incontinentie, osteoporose. Veel mensen hebben daarbij nog de overtuiging dat bedrust belangrijk is om goed te herstellen of hebben de ervaring dat als ze stil blijven liggen minder pijn hebben.
Geef deze informatie mondeling tijdens de zorgmomenten of schriftelijk via een posters, patiëntveiligheidskaart of (afdelings)folder. Informeer ook de familie zodat zij ook hun bijdrage kunnen leveren.
Interventie 2. Verbaal stimuleren en complimenten geven
Biedt succeservaringen bij het oefenen en geef positieve feedback op de handelingen die de patiënt zelf doet. Gebruik het doel wat met de patiënt opgesteld is, bespreek wanneer hij de bijbehorende activiteit gaat uitvoeren en welke hulp hij nodig heeft. Hier wordt belangrijk dat het doel reëel en haalbaar is zodat de patiënt kan ervaren hoe het voelt als hij het doel haalt (succeservaring) en hiervoor een compliment krijgt van mensen om hem heen.
Een andere manier om verbaal te stimuleren is met overtuiging aangeven dat de patiënt in staat is om de activiteit uit te voeren. Dit kan de professional doen, maar ook zeker een vriend of familielid (sociale support) waar de patiënt veel vertrouwen in heeft. Het is wel belangrijk om geloofwaardig over te komen en er zelf in te geloven dat de patiënt het kan. Bouw het vertrouwen van de patiënt op door bij succes het doel langzaam moeilijker te maken, bijvoorbeeld elke dag een stukje verder lopen met de patiënt. Erken tot slot dat het niet gemakkelijk is om bijvoorbeeld bij ziekte toch uit bed te komen, maar dat het een vorm van topsport is!
Interventie 3. Klachten identificeren en verminderen.
Observeer of vraag na of er lichamelijke of psychische factoren zijn die het activeren belemmeren. Denk aan angst om te vallen, pijnklachten, vermoeidheid door bloedarmoede, ondervoeding, delier, depressie, sederende medicatie, kortademigheid of duizeligheid (orthostatische hypotensie).
Gebruik hierbij de bestaande protocollen en meetinstrumenten die op de afdeling gebruikt worden (VAS, DOS, MUST) en bespreek de uitkomsten met het multidisciplinair team. Er kan dan multidisciplinair bekeken worden hoe deze factoren te reduceren. Bijvoorbeeld standaard pijnmedicatie op schema geven en patiënt stimuleren om deze ook in te nemen zodat het bewegen minder pijnlijk is.
Interventie 4. Cueing (een figuurlijk duwtje in de goede richting)
Het geven van een cue (spreek uit: quw) is iemand een figuurlijk duwtje in de goede richting geven. Er zijn verschillende manieren om een cue te geven:
Er is dan ook geen pasklaar antwoord op hoe je iemand kan motiveren. Het vraagt creativiteit en afstemming op de situatie van dat moment en bij die persoon. Ook de medewerking van alle (multidisciplinaire) collega’s en de naaste familie is belangrijk.
Hieronder staan interventies beschreven die ingezet kunnen worden om patiënten te motiveren deel te nemen aan de dagelijkse zorgactiviteiten en meer te bewegen. De interventies zijn gebaseerd op onderzoek en de vier mechanisme uit de self-efficacy theorie.
Interventie 1. Informeren
Informeer de patiënten en zijn familie bij en gedurende de opname over het belang van activiteit en mobiliseren. Leg daarbij uit wat de voordelen hierbij zijn zoals verbetering van conditie, handhaven zelfstandigheid en hogere kwaliteit van leven.
Informeren lijkt een open deur, maar veel patiënten (en hun familie) weten niet dat bijvoorbeeld tien dagen bedrust gelijk staat aan vijftien jaar lichamelijke veroudering! Door inactiviteit gaan niet alleen spieren, organen, maar ook de stemming achteruit. Met alle gevolgen van dien zoals valincidenten, incontinentie, osteoporose. Veel mensen hebben daarbij nog de overtuiging dat bedrust belangrijk is om goed te herstellen of hebben de ervaring dat als ze stil blijven liggen minder pijn hebben.
Geef deze informatie mondeling tijdens de zorgmomenten of schriftelijk via een posters, patiëntveiligheidskaart of (afdelings)folder. Informeer ook de familie zodat zij ook hun bijdrage kunnen leveren.
Interventie 2. Verbaal stimuleren en complimenten geven
Biedt succeservaringen bij het oefenen en geef positieve feedback op de handelingen die de patiënt zelf doet. Gebruik het doel wat met de patiënt opgesteld is, bespreek wanneer hij de bijbehorende activiteit gaat uitvoeren en welke hulp hij nodig heeft. Hier wordt belangrijk dat het doel reëel en haalbaar is zodat de patiënt kan ervaren hoe het voelt als hij het doel haalt (succeservaring) en hiervoor een compliment krijgt van mensen om hem heen.
Een andere manier om verbaal te stimuleren is met overtuiging aangeven dat de patiënt in staat is om de activiteit uit te voeren. Dit kan de professional doen, maar ook zeker een vriend of familielid (sociale support) waar de patiënt veel vertrouwen in heeft. Het is wel belangrijk om geloofwaardig over te komen en er zelf in te geloven dat de patiënt het kan. Bouw het vertrouwen van de patiënt op door bij succes het doel langzaam moeilijker te maken, bijvoorbeeld elke dag een stukje verder lopen met de patiënt. Erken tot slot dat het niet gemakkelijk is om bijvoorbeeld bij ziekte toch uit bed te komen, maar dat het een vorm van topsport is!
Interventie 3. Klachten identificeren en verminderen.
Observeer of vraag na of er lichamelijke of psychische factoren zijn die het activeren belemmeren. Denk aan angst om te vallen, pijnklachten, vermoeidheid door bloedarmoede, ondervoeding, delier, depressie, sederende medicatie, kortademigheid of duizeligheid (orthostatische hypotensie).
Gebruik hierbij de bestaande protocollen en meetinstrumenten die op de afdeling gebruikt worden (VAS, DOS, MUST) en bespreek de uitkomsten met het multidisciplinair team. Er kan dan multidisciplinair bekeken worden hoe deze factoren te reduceren. Bijvoorbeeld standaard pijnmedicatie op schema geven en patiënt stimuleren om deze ook in te nemen zodat het bewegen minder pijnlijk is.
Interventie 4. Cueing (een figuurlijk duwtje in de goede richting)
Het geven van een cue (spreek uit: quw) is iemand een figuurlijk duwtje in de goede richting geven. Er zijn verschillende manieren om een cue te geven:
- Een aanwijzing/hint geven zoals het wijzen naar de haren die nog niet gekamd zijn; of een (hulp)middels aangeven zoals een kam; of hand-over-hand techniek gebruiken: de activiteit aanzetten door met jouw hand de hand van de patiënt naar de haren te brengen (patiënt heeft kam in de handen);
- Een activiteit voordoen (rolmodel). Dit kan de professional zelf doen ( ‘haren kammen’ beweging maken) of iemand anders (wijzen naar iemand die zijn haren aan het kammen is).
- Een activiteit in kleine stappen verdelen en de patiënt stap voor stap een aanwijzing geven (hier heeft u een washand, draai de kraan open, was uw gezicht, etc).
- Verwijzen naar een eerdere positieve ervaringen.
- Tellen op de maat. Bijvoorbeeld op de derde tel gaan staan, lopen etc. Soms helpt het ook om tijdens het lopen hardop te tellen waardoor de patiënt in een bepaald ritme blijft lopen.
2 tips:
1. Praat niet te veel, maar doe voor en lok een handeling uit.
2. Betrek naaste familie bij de zorg. Informeer hen over het belang van bewegen, het stellen van doelen en bespreek welke rol zij hierin zouden kunnen spelen (denk aan de vier interventies om te motiveren)
2. Betrek naaste familie bij de zorg. Informeer hen over het belang van bewegen, het stellen van doelen en bespreek welke rol zij hierin zouden kunnen spelen (denk aan de vier interventies om te motiveren)
Door effectief gebruik te maken van strategieën zoals informeren, complimenteren, klachten verminderen en cueing, kan de motivatie van patiënten worden vergroot en kan een positieve bijdrage worden geleverd aan hun herstel. Het betrekken van familie en collega’s speelt hierin een cruciale rol. Deze gezamenlijke aanpak biedt een stevig fundament voor het implementeren van bewegingsgerichte zorg en het bereiken van betere uitkomsten voor de patiënt.